IVP staat voor het Instrumentele Verrijkingsprogramma van Prof. Dr. R. Feuerstein. De instrumenten in dit programma zijn bij uitstek geschikt om de cognitieve functies  van een kind te stimuleren en ontwikkelen. Het kind leert als het ware te denken.

Kenmerken IVP

Het IVP bestaat uit 14 series met werkbladen waarmee de verschillende cognitieve vaardigheden en functies ontwikkeld en getraind kunnen worden. Kennis van de wereld, de sociale omgeving en (eigen) emoties centraal staan. Het Instrumentele Verrijking is een niet-cultuurgebonden interventieprogramma voor het onderwijs van schoolgaande kinderen en volwassenen. Het is bedoeld om hogere denkvaardigheden te ontwikkelen.

De IVP-taken voorzien geen pasklare oplossingen voor problemen. Kinderen leren zo om regels en principes te generaliseren die kunnen worden getransfereerd naar  zowel schoolse als het dagelijkse leven.
Dat noemt Feuerstein het “bridgen”.
Samenvattend: Instrumentele Verrijking is een mediatie-instrument om de gemedieerde leerervaringen te versterken.

1. Organisatie van stippen
In ‘Organisatie van Stippen’ leren de leerlingen virtuele relaties te projecteren.

1

2. Oriëntatie in de ruimte I
Het instrument ‘Oriëntatie in de Ruimte I’ leert de vaardigheid om zich te oriënteren en de plaats van de dingen aan te duiden door gebruik te maken van relatieve en stabiele ruimtelijke referentiekaders (voor-rechts-achter-links).

3. Vergelijken
Het instrument ‘Vergelijken’ heeft als doel het spontaan vergelijkend gedrag van leerlingen te bevorderen.

4. Classificeren
In het instrument ‘Classificeren’ leert  voorwerpen groeperen (classificeren) volgens gekozen criteria, op basis van een gemeenschappelijk kenmerk.

5. Illustraties
Het instrument ‘Illustraties’ maakt gebruik van humoristische cartoons, waarop een probleemsituatie staat die geanalyseerd moet worden en geordend in tijd.

6. Analytische Waarneming
Het instrument ‘Analytische Waarneming’ leert de delen in een complex geheel te onderscheiden, de relaties tussen de delen te zien en het geheel vanuit de delen te reconstrueren.

7. Familierelaties
‘Familierelaties’  heeft het kerngezin of de uitgebreide familie als model genomen. Leerlingen leren onder meer uit een stamboom relaties af te leiden.

8. Tijdsrelaties
Het instrument ‘Tijdsrelaties’ heeft als doel het leren van tijds- en snelheidsconcepten in al zijn facetten.

9. Instructies
In dit instrument worden verschillende concepten ontwikkeld om verbale instructies te leren. Leerlingen leren hier eerst en vooral zichzelf sleutelvragen te stellen: Welke vorm? Waar? Hoeveel? In welke volgorde? Enzovoort. Ze moeten leren precies en beknopt te zijn bij het geven van instructies en volledig de instructies te lezen bij het uitvoeren ervan. Iets wat ze overal binnen en buiten het klasgebeuren hard nodig zullen hebben.

10. Oriëntatie in ruimte II
Het instrument ‘Oriëntatie in de Ruimte II’ leert een absoluut en stabiel, ruimtelijk referentiesysteem te gebruiken waarmee positie en richting op een voor iedereen duidelijke manier kunnen beschreven worden: de windstreken Noorden-Oosten-Zuiden en Westen, hun onderverdelingen en de coördinaten.

11. Cijferreeksen
Het IVP-instrument ‘Cijferreeksen’ gaat over het leren voorspellen van gebeurtenissen aan de hand van het ontdekken van een regelmaat.
Ze moeten leren om naar verbanden te zoeken. Welke gebeurtenissen kunnen voorspeld worden en welke niet? Leren nadenken over oorzaken en mogelijke gevolgen van gebeurtenissen. Het instrument leert ook het concept aan van wat een grafiek is. Leerlingen leren grafieken maken aan de hand van reeksen, en ze leren grafieken interpreteren. Cijfers worden als modaliteit gebruikt om het over andere regelmaten te hebben, om de principes van het vinden van regels en voorspellingen te leren, daar waar dit in het dagelijks leven nuttig is.

12. Syllogismen
In het instrument ‘Syllogismen’ leert de leerling over de logische relaties tussen verzamelingen en hun eigenschappen.

13. Transitieve relaties
|
Transitieve relaties komen vaak aan bod in situaties waarbij denken van hogere orde noodzakelijk is. Het gaat over het maken van logische afleidingen: welke zijn mogelijk en welke niet. Wanneer kun je het weten en wanneer heb je bijkomende informatie nodig?

14. Sjablonen
Het laatste instrument, ‘Sjablonen’ (Representational Stencil Design), daagt de leerling uit om complexe patronen van vorm en kleur in gedachten in zijn elementaire delen te ontleden. Dit instrument oefent bij uitstek het voorstellingsvermogen, het analyserend vermogen, systematisch onderzoek, en tal van andere hogere cognitieve functies.